De wetenschap van de ziel

Ons werkelijke zelf

Wie ben je? Ben je je lichaam? Je geest? Of ben je iets hogers? Weet je wie je bent of denk je alleen maar dat je het weet? En doet het er eigenlijk iets toe? Onze materialistische samenleving, met haar onverlichte bestuur, heeft navraag doen naar ons ware, hogere zelf vrijwel taboe verklaard. In plaats daarvan verdoen we onze kostbare tijd met ons lichaam te onderhouden, opmaken en vertroetelen. Is er misschien een alternatief?

Deze zeer belangrijke Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewust-zijn heeft als doel de samenleving van een spirituele dood te redden. De huidige maatschappij bevindt zich op een dwaalspoor, omdat ze misleid wordt door leiders die niet weten wat het doel van het leven is, namelijk zelfrealisatie en het herstel van onze relatie met de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. De Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn probeert de samenleving meer inzicht te geven in deze essentiële onderwerpen.

De Vedische beschaving leert ons dat vervolmaking van het leven inhoudt dat we ons bewust worden van onze relatie met Kṛṣṇa, God, en overeenkomstig handelen. In de Bhagavad-gītā, die door alle autoriteiten van de transcendentale wetenschap als het meest essentiële werk over de Vedische filosofie beschouwd wordt, staat geschreven dat niet alleen mensen, maar ook alle andere levende wezens integrerende deeltjes van God zijn. Die deeltjes zijn ervoor bedoeld het geheel te dienen, zoals de benen, handen, vingers en oren tot taak hebben het hele lichaam van dienst te zijn. Als integrerende deeltjes van God hebben wij, de levende wezens, de plicht Hem te dienen.

In feite dienen we altijd iemand, of dit nu ons gezin, ons land, of de maatschappij in het algemeen is. Als we niemand hebben om te dienen, dan nemen we soms een hond of een kat in huis en dienen we die. Hieruit blijkt dat we van nature voorbestemd zijn om te dienen. Maar hoe goed we ook proberen te dienen, we voelen ons nooit voldaan, en ook degene die we dienen is niet tevreden. Op het materiële vlak is iedereen gefrustreerd. De reden hiervoor is dat we op de verkeerde manier dienen. Als we een boom willen dienen, moeten we de wortels water geven — als we water op de takken en bladeren gieten, heeft dat weinig zin. Als de integrerende deeltjes de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods dienen, zijn ze vanzelf tevreden. Dus als we de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods dienen, dienen we automatisch gezin, land en samenleving, en worden alle vormen van welzijnswerk gerealiseerd.

Elk mens hoort te weten wat zijn relatie met God inhoudt en moet overeenkomstig handelen. Als we dit doen, wordt ons leven een succes. Soms zijn we echter opstandig en zeggen we dat God niet bestaat of dat we zelf God zijn, of zelfs dat God ons gewoon niet interesseert. Maar zulke opstandigheid zal ons uiteindelijk niet redden. God bestaat en we kunnen Zijn aanwezigheid op elk moment van ons leven ervaren. En ontkennen we ons hele leven Zijn bestaan, dan verschijnt Hij ten slotte als de wrede dood — als we Hem niet op de ene manier willen zien, dan krijgen we Hem wel op een andere manier te zien. Omdat de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods de oorsprong van de hele kosmos is, kan Hij Zich op vele manieren manifesteren. In dit opzicht kun je Hem dus onmogelijk ontlopen.

Deze Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn is geen blind, religieus fanatisme en ook geen groepje opstandelingen dat opgehitst wordt door een of andere omhooggevallen figuur. Het is een gemeenschap die op een gezaghebbende en wetenschappelijke manier informatie geeft over onze eeuwige plicht tegenover de Absolute Persoonlijkheid Gods, de Allerhoogste Genieter. Kṛṣṇa-bewustzijn heeft alleen betrekking op onze eeuwige relatie met Heer Kṛṣṇa en de wijze waarop we onze plichten tegenover Hem moeten vervullen. Zo stelt Kṛṣṇa-bewustzijn ons in staat om in deze menselijke levensvorm de hoogste volmaaktheid te bereiken.

We moeten ons altijd goed realiseren dat de ziel na een evolutie van miljoenen jaren in de cyclus van reïncarnatie een menselijke levensvorm bereikt. In deze menselijke levensvorm worden de economische problemen van het bestaan gemakkelijker opgelost dan in de lagere, dierlijke levensvormen. De economische behoeften van varkens, honden, kamelen, ezels, enz. zijn voor die dieren net zo belangrijk als onze behoeften dat voor ons zijn. Maar de economische problemen van deze dieren worden alleen opgelost onder onsmakelijke en onplezierige omstandigheden. De mens heeft alle voorzieningen gekregen om een comfortabel leven te leiden volgens de wetten van de natuur, omdat de menselijke levensvorm belangrijker en waardevoller is dan die van dieren.

Waarom heeft de mens een beter leven gekregen dan dat van varkens en andere dieren? Waarom heeft een topambtenaar in dienst van de regering betere voorzieningen gekregen dan een gewone ambtenaar? Omdat de topambtenaar plichten heeft die van een hoger niveau zijn. Op dezelfde manier zijn de plichten van de mens hoger dan die van dieren, die alleen maar bezig zijn met het vullen van hun hongerige magen. Maar het dierlijke niveau van onze moderne beschaving heeft de problemen van de hongerige maag alleen maar verergerd. Wanneer we een gepolijst dier in de vorm van een moderne mens aanspreken en hem vragen zelfrealisatie serieus te nemen, zal hij antwoorden dat hij alleen maar wil werken om zijn maag te vullen en dat zelfrealisatie helemaal geen zin heeft voor wie honger heeft. Maar de wetten van de natuur zijn zo wreed, dat hij altijd bedreigd wordt door werkloosheid, ook al is hij nog zo enthousiast om hard te werken om zijn maag te vullen en ook al veroordeelt hij openlijk de noodzaak tot zelfrealisatie.

We hebben deze menselijke levensvorm niet gekregen om ons uit te sloven als varkens en honden, maar om de hoogste volmaaktheid van het leven te bereiken. Als we niets om zelfrealisatie geven, zullen de wetten van de natuur ons ertoe dwingen bijzonder hard te werken, ook al willen we dat niet. Tegen het einde van het Kali-yuga (het huidige tijdperk) zullen de mensen zich als ezels moeten uitsloven voor een korst brood. Dit zien we nu al gebeuren: elk jaar moet er harder gewerkt worden voor minder loon. Het is niet de bedoeling dat mensen zich als dieren afpeigeren en hun plicht als mens vergeten. Doen ze dit wel, dan worden ze door de wetten van de natuur gedwongen in een volgend leven naar lagere levensvormen te verhuizen. De Bhagavad-gītā beschrijft heel duidelijk hoe een ziel door de wetten van de natuur bij de geboorte een passend lichaam en passende zintuigen krijgt toebedeeld om in de materiële wereld van de materie te genieten.

De Bhagavad-gītā stelt ook dat zij die tot God proberen te komen, maar daar niet in slagen — of met andere woorden: die geen volmaakt Kṛṣṇa-bewustzijn weten te bereiken — de kans krijgen geboren te worden in een spiritueel gevorderd gezin of in een rijk gezin. Als iemand die onsuccesvol is op het spirituele pad al goed terecht komt, wat kunnen we dan verwachten voor iemand die het verlangde resultaat wel heeft bereikt? Ook al slaagt men maar gedeeltelijk, een poging om terug te keren naar God garandeert een goede wedergeboorte. Zowel een spiritueel gevorderd als een financieel welgesteld milieu leent zich goed voor het maken van spirituele vooruitgang, omdat men in beide families alle mogelijkheden heeft om verder te gaan met zijn spirituele ontwikkeling vanaf het punt dat men in zijn vorige leven had bereikt. De Bhagavad-gītā herinnert dergelijke bevoorrechte mensen eraan dat ze hun positie te danken hebben aan devotionele activiteiten in vorige levens. Helaas raadplegen de kinderen van dergelijke families de Bhagavad-gītā niet, begoocheld als ze zijn door māyā(illusie).

In een rijke familie geboren worden betekent dat we ons niet van jongs af aan druk hoeven te maken over voedsel. Bovendien kunnen we later een relatief gemakkelijk en comfortabel leven leiden. In zo’n situatie hebben we alle faciliteiten om spirituele vooruitgang te maken, maar jammer genoeg laten de zonen van rijke ouders, onder invloed van het huidige IJzeren Tijdperk (met overal machines en mechanische mensen), zich verleiden tot zingenot en staan er niet bij stil dat ze zo hun kans op spirituele verlichting verspelen. Men kan zien dat de natuur, als reactie hierop, hun gouden huizen in rook laat opgaan. Ook de gouden stad Laṅkā werd onder het regime van de demonische Rāvaṇa in de as gelegd. Dat is de wet van de natuur.

Het eerste werk dat moet worden bestudeerd in de transcendentale wetenschap van het Kṛṣṇa-bewustzijn is deBhagavad-gītā. Alle verantwoordelijke leiders van de samenleving hebben de plicht om zich bij het opstellen van hun economische en politieke programma’s op de Bhagavad-gītā te baseren. We moeten niet proberen onze economische levensproblemen op te lossen door op een wankel platform te balanceren. In plaats daarvan moeten we een oplossing zien te vinden voor de fundamentele levensproblemen waarmee de natuur ons confronteert.

Als er geen spirituele ontwikkeling plaatsvindt, verandert de beschaving in een statisch geheel. De ziel zet het lichaam in beweging en het levend lichaam de wereld. We stellen slechts belang in het lichaam en hebben geen idee van de ziel, die dat lichaam laat bewegen. Zonder de ziel is het lichaam onbeweeglijk of dood.

Het menselijk lichaam is een uitstekend voertuig om het eeuwige leven mee te bereiken. Het is een zeldzaam en heel belangrijk schip waarmee men de oceaan van onwetendheid — dit materiële bestaan — kan oversteken. Aan boord worden we geholpen door een ervaren schipper, de spiritueel leraar. Door de genade van God heeft het schip de wind mee. Wie zou, onder al deze gunstige omstandigheden, niet van deze gelegenheid gebruik maken om de oceaan van onwetendheid over te steken? Als we we zo’n goede kans voorbij laten gaan, dan plegen we simpelweg zelfmoord.

Het is natuurlijk bijzonder comfortabel om in een eersteklascoupé met de trein te reizen, maar wat heeft men aan airconditioning als de trein niet naar de plaats van bestemming rijdt? De huidige beschaving is te veel gericht op materiële gemakken. Niemand weet wat het doel van het leven is: terugkeren naar God. We moeten niet domweg in onze coupé blijven zitten, maar erop toezien dat ons vervoermiddel daadwerkelijk naar de plaats van bestemming gaat. We hebben er uiteindelijk niets aan om het zo comfortabel mogelijk voor het materiële lichaam te maken als we daardoor het belangrijkste levensdoel uit het oog verliezen: het herontdekken van onze spirituele identiteit.

Het schip van het mensenleven is ervoor gemaakt om een spirituele bestemming te bereiken. Maar helaas is het lichaam met vijf sterke ketenen aan een werelds bewustzijn vastgeketend. Deze ketenen zijn: (1) gehechtheid aan het lichaam door gebrek aan spirituele kennis; (2) gehechtheid aan familie op grond van lichamelijke verwantschap; (3) gehechtheid aan geboorteland en materiële bezittingen, zoals huis, meubilair, landgoed, waardevolle papieren, enz.; (4) gehechtheid aan de materiële wetenschap, die altijd in het duister blijft tasten door gebrek aan spiritueel inzicht; (5) gehechtheid aan religieuze gebruiken en heilige riten zonder kennis van de Persoonlijkheid Gods of Zijn toegewijden, aan wie ze hun heiligheid ontlenen. Deze ketenen waarmee het schip van het mensenleven verankerd ligt, worden in hoofdstuk vijftien van de Bhagavad-gītā nauwkeurig beschreven. Ze worden daar vergeleken met een enorme banyan-boom die zich steeds dieper in de aarde wortelt. Het is heel moeilijk zo’n woudreus te ontwortelen, maar toch heeft de Heer er een methode voor: ‘De werkelijke vorm van deze boom kan niet worden waargenomen in deze wereld. Niemand kan begrijpen waar hij eindigt, waar hij begint of waar zijn basis is. Maar men moet deze diepgewortelde boom vastberaden vellen met het wapen van onthechting. Daarna moet men die plaats zien te vinden vanwaar niemand terugkeert wanneer ze eenmaal bereikt is, en daar moet men zich overgeven aan die Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, bij wie alles begon en uit wie alles sinds onheuglijke tijden is voortgekomen.’ (Bhagavad-gītā 15.3-4)

Wetenschappers en filosofen zijn er tot op heden niet in geslaagd tot een definitieve conclusie over de kosmos te komen. Het enige wat ze gedaan hebben, is theorieën opstellen. Sommigen van hen zeggen dat de materiële wereld de enige werkelijkheid is, anderen beschouwen haar als een droom en weer anderen zeggen dat ze eeuwig bestaat. Op deze manier houden de wereldse geleerden er uiteenlopende opvattingen op na, maar het blijft een feit dat geen enkele wereldse wetenschapper of filosoof er ooit in is geslaagd een verklaring te geven voor het ontstaan en de reikwijdte van de kosmos. Niemand kan zeggen wanneer alles begonnen is of hoe het komt dat de planeten in de ruimte zweven. Ze bedenken enkele theoretische wetten, zoals die van de zwaartekracht, maar daarmee is niet echt iets verklaard. Bij gebrek aan feitelijke kennis van de waarheid verdringen ze elkaar met steeds weer nieuwe theorieën in de hoop beroemd te worden, maar de wereld wordt er niet minder ellendig door.

God is volledig op de hoogte van alles wat er in Zijn schepping gebeurt. Hij laat ons weten dat het heel goed voor ons is het verlangen te ontwikkelen dit ellendige bestaan achter ons te laten. We moeten ons losmaken van al het materiële. We moeten het beste van het materiële bestaan zien te maken door het voor de volle honderd procent te spiritualiseren. IJzer is geen vuur, maar kan in vuur veranderd worden door er constant mee in aanraking te zijn. Zo kan men van zijn materiële activiteiten loskomen door zich toe te leggen op spirituele activiteiten, niet door alle activiteit te staken. Materiële inactiviteit is het tegenovergestelde van materiële activiteit, maar spirituele activiteit is niet alleen het tegenovergestelde van materiële activiteit, maar ook het begin van ons werkelijke leven. We moeten ernaar verlangen het eeuwig leven te vinden of een spiritueel bestaan in Brahman, het Absolute. Het eeuwig koninkrijk van Brahman wordt in de Bhagavad-gītā beschreven als dat eeuwige land vanwaar men nooit meer terugkeert. Dat is het koninkrijk van God.

We kunnen niet nagaan wanneer ons huidige materiële bestaan begonnen is, en ook heeft het geen zin om te weten hoe we hier zijn terechtgekomen. Het is genoeg om te weten dat dit materiële bestaan op een of andere manier al sinds onheuglijke tijden aan de gang is en dat het nu onze taak is om ons over te geven aan de Allerhoogste Heer, die de uiteindelijke oorzaak van alle oorzaken is. De eerste voorwaarden waaraan we moeten voldoen om naar God te kunnen terugkeren, worden in de Bhagavad-gītā (15.5) als volgt beschreven: ‘Zij die vrij zijn van hoogmoed, illusie en verkeerd gezelschap, die het eeuwige begrijpen, die niets meer te maken willen hebben met materiële lust, die bevrijd zijn van de dualiteiten van geluk en ellende en die, omdat ze niet verward zijn, weten hoe ze zich aan de Allerhoogste Persoon moeten overgeven, bereiken dat eeuwige koninkrijk.’

Wie overtuigd is van zijn spirituele identiteit en dus ontstegen is aan de materialistische levensbeschouwing, wie vrij is van illusie en niet meer beïnvloed wordt door de hoedanigheden van de materiële natuur, wie voortdurend opgaat in het ontwikkelen van spirituele kennis en zich volkomen onthecht heeft van zingenot, kan naar God terugkeren. Zo iemand wordt amūḍha genoemd — in tegenstelling tot de mūḍha, de dwaas of onwetende — omdat hij bevrijd is van de dualiteit van geluk en verdriet.

Maar wat is de aard van het koninkrijk van God? In de Bhagavad-gītā (15.6) wordt dat als volgt beschreven: ‘Die allerhoogste woning van Mij wordt niet verlicht door de zon of de maan en evenmin door vuur of elektriciteit. Zij die haar bereiken, komen nooit meer terug naar de materiële wereld.’

Omdat de Heer de hoogste eigenaar van alle planeten is, bevinden alle planeten zich binnen het koninkrijk van God. Toch heeft Hij ook Zijn eigen woning, waar het volkomen anders is dan in het universum waarin wij nu leven. Deze woning wordt paramam genoemd, de allerhoogste woning. Zelfs op aarde zijn er landen met een hogere en landen met een lagere levensstandaard. Naast deze aarde zijn er in het universum nog ontelbare andere planeten, waarvan sommige als hoger en andere als lager worden beschouwd. Omdat het materiële universum een oord van duisternis is, hebben alle planeten die onder invloed van de materiële energie staan zonlicht of vuur nodig voor hun bestaan. Buiten het materiële universum bevindt zich echter een spiritueel gebied, waarvan wordt gezegd dat het onder Gods hogere natuur functioneert.

Over dit spirituele gebied zeggen de upaniṣads het volgende: ‘Zon, maan of sterren zijn er niet nodig en het wordt niet verlicht door elektriciteit of welke vorm van vuur dan ook. Alle materiële universa worden verlicht door een spiegeling van spiritueel licht, en omdat die hogere natuur van zichzelf licht uitstraalt, kunnen we zelfs in de donkerste nacht een zweem van licht bespeuren.’ In de Hari-vaṁśa beschrijft de Allerhoogste Heer Zijn spirituele natuur Zelf als volgt: ‘De verblindende gloed van het onpersoonlijke Brahman (het onpersoonlijke Absolute) verlicht alle vormen van bestaan, zowel materieel als spiritueel. Maar, o Bhārata, je moet beseffen dat dit Brahman-licht de uitstraling van Mijn lichaam is.’ Dit wordt ook bevestigd in de Brahma-saṁhitā. We moeten niet denken dat we die woning kunnen bereiken met materiële middelen, zoals bijvoorbeeld ruimteschepen, maar we moeten ervan overtuigd zijn dat wie tot de transcendentale woning van Kṛṣṇa weet te komen er onafgebroken spiritueel geluk kan ervaren.

Als feilbare levende wezens heeft ons bestaan twee fasen. De eerste wordt het materiële bestaan genoemd, dat overheerst wordt door ellendige ervaringen als geboorte, ziekte, ouderdom en dood. De tweede wordt het spirituele bestaan genoemd, waar men zich eeuwig in een toestand van kennis en gelukzaligheid bevindt. In het materiële bestaan worden we beheerst door de opvatting dat we ons lichaam en onze geest zijn, terwijl we in het spirituele bestaan altijd van het gelukkige, transcendentale contact met de Persoonlijkheid Gods kunnen genieten. In het spiritueel leven zijn we nooit van de Heer gescheiden.

De Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn probeert de hele mensheid tot dat spirituele bestaan te brengen. In ons huidige materiële bewustzijn zijn we gehecht aan de zinnelijke en materialistische levensbeschouwing, die echter onmiddellijk beëindigd kan worden zodra we ons toeleggen op devotionele dienst aan Kṛṣṇa of Kṛṣṇa-bewustzijn. Als we de principes van devotionele dienst volgen, dan ontstijgen we aan de materialistische levensbeschouwingen en bevrijden we ons van de hoedanigheden onwetendheid, hartstocht en goedheid, ook al zijn we met allerlei wereldse zaken bezig.

Zij die verstrikt zijn in materiële aangelegenheden kunnen veel voordeel halen uit het lezen van de Bhagavad-gītāzoals ze is en andere publicaties van de Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn. Deze boeken stellen iedereen in staat om de wortels van de onvermoeibaar doorgroeiende banyan-boom van het materiële bestaan door te hakken. In deze heilige teksten wordt op een gezaghebbende manier onderwezen hoe we alles wat met de materialistische levensbeschouwing verband houdt kunnen loslaten en hoe we altijd spirituele nectar kunnen proeven. Dit stadium is alleen te realiseren door devotionele dienst en door niets anders. Door zulke dienst te verrichten kan men zelfs in het huidige leven verlossing (mukti) bereiken. Bij de meeste vormen van spiritueel leven worden ook materiële doeleinden nagestreefd, maar zuivere devotionele dienst is ontstegen aan elke vorm van materiële onzuiverheid. Zij die naar God willen terugkeren hoeven zich enkel de beginselen van deze gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn eigen te maken en hun bewustzijn te richten op de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Kṛṣṇa.

 

No comments yet.

Geef een reactie