Hare Krishna Uiterlijk

Srila PrabhupadaWie een bezoek aan India brengt, kan vaststellen dat de kleding van de toegewijden overeenkomt met de traditionele Indiase klederdracht. Kenmerkend is, dat zij niet uitdagend of provocerend is naar de andere sekse. De toegewijden die thuis wonen, zowel jong als oud, passen hun kleding aan naargelang de omstandigheden. Men draagt over het algemeen de gewone kleding van het land waar men woont. Soms kleedt men zich in Indiase devotionele kleding. In de tempels dragen de vrouwen voornamelijk sari’s en bloesjes, de gehuwde mannen en nieuwe mannelijke toegewijden dragen witte gewaden of broeken en bloezen.

De ongehuwde mannen en sannyasi’s dragen saffranen gewaden. De kleur saffraan (licht oranjeroze) symboliseert het celibaat en onthechting. Als een man overgaat tot de sannyasa- orde of overleden is, gaat de vrouw witte kleding dragen. De kinderen dragen meestal gewone kleding behalve op feestdagen. Lederen kleding, schoenen, tassen e.d. worden vermeden. Leder kan gebruikt worden, mits het dier een natuurlijke dood is gestorven, hetgeen in de huidige maatschappij meestal niet het geval is.

Als vrouwen verloofd of gehuwd zijn plaatsen ze een stipje kumkum (rode poeder van een bepaalde bloem) op hun voorhoofd. De toegewijden trouwen eerst voor de burgerlijke stand. Als het huwelijk daarna in de tempel wordt ingewijd, voor God, mag de vrouw een rode streep kumkum boven haar voorhoofd op de haarscheiding aanbrengen. Over het algemeen scheren de mannen die in een tempel wonen het hoofd kaal ten teken van onthechting, met uitzondering van een klein staartje (sikha) aan de kruin van het achterhoofd, wat duidt op toewijding aan God. Dit ter onderscheiding van onder andere de boeddhisten, die het gehele hoofd kaal scheren. Als men het Krishna-bewustzijn thuis beoefent, dragen de mannen het haar vaak kort. De vrouwen laten hun haar meestal lang groeien en dragen het in een vlecht. Geen een van deze uiterlijke kenmerken is echter verplicht.

Wel wordt er verwacht van degenen die ingewijd zijn, dat zij de hoofdsymbolen van de vaisnava-traditie zoveel mogelijk in ere houden. Dit zijn:

  • a. de Tulasikralen om de hals
  • b. de vaisnava sikha (het plukje haar op het achterhoofd van de mannen)
  • c. het tilakteken.

Op het voorhoofd en op elf andere plaatsen op het bovenlichaam wordt telkens na het baden tilak (klei uit een van de heilige rivieren van India) aangebracht. Het heeft de vorm van een blaadje op de neus met twee verticale dunne lijnen op het voorhoofd. Het symboliseert een Tulasi-blaadje aan de hiel van Sri Visnu. Het is een teken dat al sinds mensenheugenis wordt gedragen en waaraan men de vaisnava’s kan herkennen. Het kenmerkt het lichaam als een tempel van God, omdat God in ieders hart zetelt.

Als de werkomstandigheden het niet toelaten om tilak te dragen, kan men dit onzichtbaar met water aanbrengen. De toegewijden dragen nekkralen van de heilige Tulasi-plant. Ook het bidsnoer (japa mala) is vaak van Tulasi-hout gemaakt. Het snoer wordt in een speciaal zakje gedragen, om de kralen rein te houden. Veel van deze uiterlijke kenmerken zijn ook gebruikelijk in andere religies, zoals de kuise kleding, een speciale haardracht en het bidden op een bidsnoer.