Reïncarnatie

In augustus 1976 verbleef Śrīla Prabhupāda een paar weken in de Bhaktivedanta Manor, ongeveer vijfentwinting kilometer ten noorden van Londen. Mike Robinson van de London Broadcasting Company interviewde hem gedurende dat verblijf in zijn vertrekken. In hun gesprek onthulde Śrīla Prabhupāda dat Kṛṣṇa-bewustzijn ‘niet een of andere ritualistische ceremonie is van “ik geloof, jij gelooft”’, maar gebaseerd is op een diepgaande filosofie, waarin de wetenschap van reïncarnatie duidelijk en bondig wordt uitgelegd.

Mike Robinson: Kunt u me iets zeggen over uw geloof — wat houdt de filosofie van de Hare Kṛṣṇa-gemeenschap in?

Śrīla Prabhupāda: Ja. Het Kṛṣṇa-bewustzijn is geen geloof, het is een wetenschap. We moeten allereerst beseffen wat het verschil is tussen een levend lichaam en een dood lichaam. Wat is het verschil? Het verschil is dat wanneer iemand sterft de ziel of de levenskracht het lichaam verlaat. Daarom wordt het lichaam ‘dood’ genoemd. We onderscheiden dus twee dingen: aan de ene kant het lichaam en aan de andere kant de levenskracht in het lichaam. We spreken van de levenskracht in het lichaam. Dat is het verschil tussen de wetenschap van het Kṛṣṇa-bewustzijn, die spiritueel is, en de hedendaagse materiële wetenschap. Daarom is het voor veel mensen in het begin heel erg moeilijk om iets van onze gemeenschap te begrijpen. We moeten eerst beseffen dat we een ziel zijn, dat we iets anders zijn dan ons lichaam.

Mike Robinson: En wanneer wordt ons dat duidelijk?

Śrīla Prabhupāda: Dat kan elk ogenblik gebeuren, maar het vereist wat intelligentie. Ik zal je een voorbeeld geven. Als een kind opgroeit, wordt het een jongen, de jongen wordt een jongeman, de jongeman wordt een volwassene, en de volwassene wordt een oude man. Hoewel zijn lichaam geleidelijk aan verandert, voelt hij zich de hele tijd dezelfde persoon, met dezelfde identiteit. Het lichaam verandert, maar de bewoner van het lichaam, de ziel, blijft dezelfde. Nietwaar? Het is daarom logisch te concluderen dat we een ander lichaam krijgen als ons huidige lichaam sterft. Dat wordt reïncarnatie genoemd.

Mike Robinson: Dus als iemand sterft, sterft alleen zijn fysieke lichaam?

Śrīla Prabhupāda: Juist. Dat wordt uitvoerig beschreven in de Bhagavad-gītā (2.20): na jāyate mriyate vā kadācin… na hanyate hanyamāne śarīre.

Mike Robinson: Citeert u vaak teksten?

Śrīla Prabhupāda: Ja, dat doen we veel. Het Kṛṣṇa-bewustzijn betekent serieus onderwijs, geen gewone religie. (Tot een discipel) Zoek dat vers eens op in de Bhagavad-gītā.

Discipel:

na jāyate mriyate vā kadācin
nāyaṁ bhūtvā bhavitā vā na bhūyaḥ
ajo nityaḥ śāśvato ’yaṁ purāṇo
na hanyate hanyamāne śarīre

‘Voor de ziel bestaat er op geen enkel tijdstip geboorte of dood. Ze is niet ontstaan, ze ontstaat niet en ze zal niet ontstaan. Ze is ongeboren, eeuwig, oorspronkelijk en permanent. Ze wordt niet gedood wanneer het lichaam wordt gedood.’

Mike Robinson: Dank u wel voor het voorlezen. Kunt u me nog iets uitleggen? Als de ziel onsterfelijk is, gaat dan ieders ziel na de dood terug naar God?

Śrīla Prabhupāda: Niet per se. Als je gekwalificeerd bent, als je je in dit leven gekwalificeerd hebt om terug naar huis, terug naar God te gaan, dan kun je gaan. Als je dat niet hebt gedaan, krijg je opnieuw een materieel lichaam. Er zijn 8 400 000 verschillende lichaamsvormen. Naargelang onze verlangens en ons karma geeft de natuur ons een passend lichaam. Je kunt het vergelijken met iemand die een ziekte oploopt: na de besmetting ontwikkelt de ziekte zich vanzelf verder in het lichaam. Is dat moeilijk te begrijpen?

Mike Robinson: Het is erg moeilijk het allemaal in één keer te begrijpen.

Śrīla Prabhupāda: Stel dat iemand besmet is met pokken. Na zeven dagen komen de symptomen te voorschijn. Hoe noemt men die periode?

Mike Robinson: De incubatietijd?

Śrīla Prabhupāda: Precies, de incubatietijd. Als je met een of andere ziekte besmet bent, ontwikkelt die zich; je kunt er dan niet meer onderuit. Zo werkt de natuur. Iedereen komt tijdens zijn leven in aanraking met de verschillende hoedanigheden van de materiële natuur. De manier waarop je door deze hoedanigheden bent beïnvloed bepaalt wat voor lichaam je in je volgend leven krijgt. Dit verloopt strikt volgens de wetten van de natuur. Ieders leven wordt door deze wetten bepaald. We zijn volkomen afhankelijk, maar uit onwetendheid denken we dat we vrij zijn. We zijn niet vrij; we verbeelden het ons alleen maar. Je volgend leven is dus afhankelijk van je activiteiten in dit leven, die zondig of vroom kunnen zijn.

Mike Robinson: Zou u dat nog eens willen uitleggen? U zei dat niemand vrij is. Bedoelt u dat als we goed leven, we onszelf op die manier een goede toekomst kunnen bezorgen?

Śrīla Prabhupāda: Inderdaad.

Mike Robinson: Kunnen we zelf bepalen wat belangrijk is? Bijvoorbeeld: religie is belangrijk, want als we in God geloven en een goed leven leiden…

Śrīla Prabhupāda: Het is geen kwestie van geloof. Laten we het niet over geloof hebben. We hebben het hier over wetten. Neem als voorbeeld de overheid. Daarin kun je geloven of niet. Maar als je de wet overtreedt, dan word je door de overheid gestraft. God bestaat op dezelfde manier, of je nu geloof hebt of niet. Als je niet in God gelooft, maar onafhankelijk doet waar je zin in hebt, dan word je door de wetten van de natuur gestraft.

Mike Robinson: Doet het er iets toe welke religie je aanhangt? Maakt het uit of je een toegewijde van Kṛṣṇa bent?

Śrīla Prabhupāda: Het heeft niets met religie te maken. Het is een wetenschappelijk feit. U bent een spiritueel wezen, maar omdat u materieel geconditioneerd bent, wordt uw leven beheerst door de wetten van de natuur. Ook al bent u christen en ik hindoe, dan betekent dat nog niet dat u oud zult worden en ik niet. Oud worden is een wetenschappelijk proces dat wordt bepaald door de natuur. We worden allemaal beïnvloed door dezelfde natuurwetten, ongeacht de religie die we aanhangen.

Mike Robinson: Volgens u is er dus maar één God, die ons allemaal bestuurt?

Śrīla Prabhupāda: Er is één God en één stelsel van natuurwetten waar we allemaal onder vallen. We worden bestuurd door de Allerhoogste. Als we denken dat we vrij zijn of kunnen doen waar we zin in hebben, getuigt dat alleen maar van dwaasheid.

Mike Robinson: Kunt u me in dit verband uitleggen of het wat uitmaakt of iemand lid is van de Hare Kṛṣṇa-gemeenschap?

Śrīla Prabhupāda: De Hare Kṛṣṇa-gemeenschap is er voor hen die er serieus werk van willen maken deze wetenschap te leren begrijpen. We zijn absoluut geen sekte. Iedereen kan zich bij ons aansluiten. Het doet er niet toe wat voor achtergrond je hebt; of je nu christen, hindoe of moslim bent, iedereen die de wetenschap over God wil leren kennen, kan zich bij de Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn aansluiten.

Mike Robinson: En wat zou het voor iemand betekenen om te leren hoe hij een Hare Kṛṣṇa moet zijn?

Śrīla Prabhupāda: Dan begint zijn werkelijke ontwikkeling. Wat je allereerst moet inzien, is dat je een ziel bent. En omdat je een ziel bent, verwissel je van lichaam. Dat is het ABC van het spiritueel leven. Als het dus afgelopen is met je lichaam, als het vernietigd is, dan is het nog niet afgelopen met jou. Je krijgt een nieuw lichaam, zoals je soms andere kleren aantrekt. Als je morgen bij me komt met andere kleren aan, betekent dat dan dat jij een ander persoon bent geworden? Nee. Zo is het ook als je sterft. Je verwisselt dan van lichaam, maar jij, de spirituele ziel in het lichaam, blijft dezelfde. Dit punt moet goed begrepen worden: pas daarna zul je in staat zijn om verdere vooruitgang te maken in het doorgronden van de wetenschap van het Kṛṣṇa-bewustzijn.

Mike Robinson: Ik begin er iets van te begrijpen, maar ik vind het wel moeilijk om het verband te zien tussen dit alles en de mensen die in London op Oxford Street Hare Kṛṣṇa-literatuur uitdelen.

Śrīla Prabhupāda: Die literatuur is ervoor bedoeld om de mensen te overtuigen van de noodzaak een spiritueel leven te leiden.

Mike Robinson: En maakt het voor u niet uit of ze zich al dan niet bij de Hare Kṛṣṇa-gemeenschap aansluiten?

Śrīla Prabhupāda: Nee, dat is niet zo belangrijk. Het is in de eerste plaats onze taak ze te onderwijzen. Mensen leven in onwetendheid. Ze leven in een grote illusie, want ze denken dat alles ophoudt wanneer hun lichaam het begeeft. Dat is absurd.

Mike Robinson: Het gaat u er in wezen alleen om ze te vertellen dat het leven een spirituele dimensie heeft?

Śrīla Prabhupāda: Het gaat ons er in de eerste plaats om de mensen duidelijk te maken dat ze dit lichaam niet zijn, dat het lichaam het omhulsel is en dat in dit lichaam de eigenlijke persoon leeft.

Mike Robinson: Ja, ik geloof dat ik dit nu begrijp. U zei dat onze manier van leven van invloed is op het leven na de dood en dat er natuurwetten zijn die ons volgend leven bepalen. Hoe gaat dit proces van reïncarnatie in zijn werk?

Śrīla Prabhupāda: Dat gebeurt op een heel subtiele manier. De ziel is niet door onze materiële ogen waarneembaar. Ze is atomisch klein. Na de vernietiging van het grofstoffelijk lichaam, dat bestaat uit zintuigen, bloed, botten, vet enzovoort, blijft het fijnstoffelijk lichaam van geest, intelligentie en ego voortbestaan. Op het moment van de dood draagt dit fijnstoffelijk lichaam de atomisch kleine ziel naar een ander grofstoffelijk lichaam, zoals de wind een bepaalde geur meedraagt. Niemand kan zien waar die geur vandaan komt, toch weten we dat die door de wind is meegevoerd. Zo is ook het proces van reïncarnatie iets heel subtiels. Afhankelijk van het bewustzijn op het moment van de dood komt de uiterst kleine ziel via het zaad van de vader in de baarmoeder van een bepaalde moeder terecht, waarna ze een bepaald lichaam ontwikkelt, dat ze van de moeder krijgt. Het kan het lichaam zijn van een mens, een kat, een hond, of welk levend wezen dan ook.

Mike Robinson: Betekent dat ook dat we vóór dit leven al iets anders zijn geweest?

Śrīla Prabhupāda: Ja.

Mike Robinson: En dat we steeds als iets anders terugkomen?

Śrīla Prabhupāda: Ja, want we zijn eeuwig. Afhankelijk van wat je doet, verwissel je steeds weer van lichaam. Daarom is het noodzakelijk dat je leert begrijpen hoe je hier een einde aan kunt maken en hoe je in je oorspronkelijke, spirituele lichaam kunt blijven. Dat is wat Kṛṣṇa-bewustzijn inhoudt.

Mike Robinson: Dus als ik Kṛṣṇa-bewust word, loop ik geen gevaar om als hond te moeten terugkeren?

Śrīla Prabhupāda: Nee. (Tot een toegewijde) Zoek dit vers eens op: janma karma ca me divyam…

Discipel:

janma karma ca me divyam
evaṁ yo vetti tattvataḥ
tyaktvā dehaṁ punar janma
naiti mām eti so ’rjuna

‘Wie de transcendentale aard van Mijn verschijnen en activiteiten kent, wordt na het verlaten van zijn lichaam niet opnieuw geboren in de materiële wereld, maar bereikt Mijn eeuwige woning, o Arjuna.’ (Bhagavad-gītā 4.9)

Śrīla Prabhupāda: God zegt: ‘Iedereen die begrijpt wie Ik ben, is vrij van geboorte en dood.’ Maar we kunnen God niet begrijpen door materialistisch gespeculeer — dat is onmogelijk. We moeten eerst op het transcendentale niveau komen; dan pas krijgen we het verstand waarmee we God kunnen begrijpen. En wanneer we weten wie God is, krijgen we geen andere materiële lichamen meer; dan keren we terug naar huis, terug naar God. We leven dan eeuwig, zonder ooit nog van lichaam te hoeven verwisselen.

Mike Robinson: U heeft net tweemaal uit uw heilige teksten laten voorlezen. Waar komen die heilige teksten vandaan? Kunt u daar in het kort iets over vertellen?

Śrīla Prabhupāda: Onze heilige teksten maken deel uit van de Vedische literatuur, die vanaf het begin van de schepping bestaat. Telkens wanneer er iets nieuws uitgevonden wordt — zoals bijvoorbeeld deze microfoon — is er altijd literatuur bij die uitlegt hoe je het gebruiken moet, nietwaar?

Mike Robinson: Ja, dat klopt.

Śrīla Prabhupāda: En die literatuur is er tegelijk met de schepping van de microfoon.

Mike Robinson: Ja, inderdaad.

Śrīla Prabhupāda: Op dezelfde manier heeft God de Vedische literatuur bij de kosmische schepping meegegeven, om uit te leggen hoe we ermee moeten omgaan.

Mike Robinson: Ik begrijp het. Deze heilige teksten bestaan al sinds het begin van de schepping. Ik zou nu graag een onderwerp ter sprake willen brengen waarvan ik denk dat u er heel uitgesproken ideeën over hebt. Wat is het belangrijkste verschil tussen het Kṛṣṇa-bewustzijn en de andere oosterse doctrines die in het westen onderwezen worden?

Śrīla Prabhupāda: Het belangrijkste verschil is dat wij de oorspronkelijke heilige teksten volgen, terwijl zij hun eigen literatuur verzinnen. Als het om spirituele zaken gaat, moeten we de oorspronkelijke literatuur raadplegen en niet het werk van een of andere bedrieger.

Mike Robinson: En hoe zit het met het chanten van Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa…

Śrīla Prabhupāda: Het chanten van Hare Kṛṣṇa is de makkelijkste manier om gezuiverd te raken, vooral in dit tijdperk, waarin de mensen zo afgestompt zijn dat het voor hen niet gemakkelijk is om spirituele kennis te begrijpen. Als je Hare Kṛṣṇa chant, raakt je verstand gezuiverd, zodat je spirituele zaken kunt begrijpen.

Mike Robinson: Kunt u me zeggen waardoor u zich in uw handelen laat leiden?

Śrīla Prabhupāda: We aanvaarden de autoriteit van de heilige Vedische teksten.

Mike Robinson: Waaruit u zojuist citeerde?

Śrīla Prabhupāda: Ja, het is allemaal terug te vinden in de heilige teksten. De verklarende teksten zijn in het Engels geschreven, maar er is geen woord van verzonnen. Als onze kennis op verzinsels gebaseerd zou zijn, zou ze geen enkele waarde hebben. De Vedische literatuur is te vergelijken met de tekst die vertelt hoe we deze microfoon moeten opstellen, bijvoorbeeld: ‘Deze schroeven moeten aan die kant vastgemaakt worden rond dat stuk metaal.’ Je kunt het niet op een andere manier doen, want dan gaat alles mis. Zo verzinnen ook wij geen woord. Als iemand daarom een van onze boeken leest, ontvangt hij werkelijke spirituele kennis.

Mike Robinson: Welk effect heeft de filosofie van het Kṛṣṇa-bewustzijn op de levenswijze van mensen?

Śrīla Prabhupāda: Ze kan een einde maken aan hun leed. De mensen lijden omdat ze zich ten onrechte met het lichaam vereenzelvigen. Als je denkt dat je je jas en je overhemd bent en je houdt ze allebei heel schoon, maar je vergeet te eten, zul je dan gelukkig zijn?

Mike Robinson: Nee.

Śrīla Prabhupāda: Toch doet iedereen eigenlijk niets anders dan voor zijn ‘hemd en jas’ zorgen, maar men vergeet daarbij de ziel in het lichaam. De mensen hebben er geen idee van wat zich in het ‘hemd’ en de ‘jas’ van het lichaam bevindt. Vraag iemand wie hij is en hij zal je zeggen dat hij een Engelsman of een Indiër is. En als wij dan zeggen: ‘Ik zie dat je een Engels of Indiaas lichaam hebt, maar wie ben jij?’, dan staat hij met zijn mond vol tanden.

Mike Robinson: Ik begrijp het.

Śrīla Prabhupāda: De huidige maatschappij functioneert volledig op basis van de misvatting dat het lichaam het zelf is (dehātma-buddhi). Zo denken katten en honden ook. Stel dat ik Engeland probeer binnen te komen, maar u houdt me aan de grens tegen met de woorden: ‘Ik ben Engelsman, maar u bent Indiër. Waarom bent u hierheen gekomen?’ En de hond blaft: ‘Woef, woef, wat moet dat hier?’ Wat is dan het verschil in mentaliteit? De hond denkt dat hij een hond is en dat ik een vreemdeling ben, en jij denkt dat je Engelsman bent en ik Indiër. De mentaliteit is precies dezelfde. Als je de mensen dus in het duister van een hondenmentaliteit houdt en tegelijk beweert dat de beschaving vooruitgaat, dan ben je volkomen misleid.

Mike Robinson: Ik zou het nu graag over iets anders willen hebben. Ik neem aan dat de Hare Kṛṣṇa-gemeenschap zich ook richt op gebieden in de wereld waar geleden wordt.

Śrīla Prabhupāda: Ja, wij zijn de enigen die zich daar mee bezighouden. Geboorte, ziekte, ouderdom en dood zijn de werkelijke problemen, terwijl anderen er met een grote boog omheenlopen. Ze hebben er geen oplossing voor, ze kramen maar wat onzin uit. De mensen worden misleid en in het duister gehouden. Wij willen licht in hun leven brengen.

Mike Robinson: Ja, maar houdt u zich naast het geven van spirituele verlichting niet ook bezig met het lichamelijk welzijn van de mensen?

Śrīla Prabhupāda: Spiritueel welzijn heeft automatisch lichamelijk welzijn tot gevolg.

Mike Robinson: Hoe moet ik me dat voorstellen?

Śrīla Prabhupāda: Stel dat je een auto hebt. Dan zorg je natuurlijk even goed voor die auto als voor jezelf. Maar jevereenzelvigt je niet met die auto. Je zegt niet: ‘Ik ben deze auto.’ Dat zou onzin zijn. Maar toch doen mensen dat. Ze schenken te veel aandacht aan de lichamelijke ‘auto’, in de waan dat deze ‘auto’ het zelf is. Ze beseffen niet dat ze iets anders zijn dan die ‘auto’, dat ze een spirituele ziel zijn en zich met andere dingen moeten bezighouden. Zoals niemand voor zijn plezier benzine drinkt, zo voelt ook niemand zich voldaan als hij zich alleen met lichamelijke activiteiten bezighoudt. We moeten het juiste voedsel voor de ziel zien te vinden. Als iemand zegt dat hij een auto is en daarom benzine moet drinken, dan denkt iedereen dat hij gek is. Maar wie denkt dat hij dit lichaam is en zijn geluk in lichamelijke genoegens probeert te vinden, is in feite net zo gek.

Mike Robinson: Uw mensen gaven me enige tijd geleden wat literatuur en daarin kwam ik een uitspraak tegen waarop ik graag uw commentaar zou willen horen. Op een gegeven moment zegt u namelijk: ‘Religie zonder rationele basis is niets anders dan sentiment.’ Wat bedoelt u daarmee?

Śrīla Prabhupāda: De meeste religieuze mensen zeggen: ‘Wij geloven…’ Maar wat heeft dat geloof voor waarde? Misschien geloof je iets wat eigenlijk helemaal niet waar is. Zo zijn er bijvoorbeeld christenen die zeggen: ‘Wij geloven dat dieren geen ziel hebben.’ Dat is niet juist. Ze zeggen dit alleen maar omdat ze het vlees van die dieren willen eten. In werkelijkheid hebben dieren wel degelijk een ziel.

Mike Robinson: Hoe weet u dat dieren een ziel hebben?

Śrīla Prabhupāda: U kunt dat ook weten. Hier is het wetenschappelijk bewijs: dieren eten, jij eet; dieren slapen, jij slaapt; dieren bedrijven seks, jij bedrijft seks; dieren verdedigen zich, jij verdedigt je ook. Wat is dan het verschil tussen jou en het dier? Hoe kan je beweren dat jij een ziel hebt en het dier niet?

Mike Robinson: Dat is me volkomen duidelijk. Maar de christelijke heilige teksten zeggen…

Śrīla Prabhupāda: Hier hebben we geen heilige teksten bij nodig; dit is een kwestie van gezond verstand. Probeer het te begrijpen. Een dier eet, jij eet; een dier slaapt; jij slaapt; dieren bedrijven seks, jij bedrijft seks; dieren hebben kinderen, jij hebt kinderen; zij hebben een plek waar ze wonen, jij hebt een plek waar je woont. Raakt een dier gewond, dan komt er bloed; raak jij gewond, dan komt er ook bloed. Dat zijn allemaal overeenkomsten. Waarom zou je dan deze ene overeenkomst — de aanwezigheid van de ziel — willen ontkennen? Het is onlogisch om zo te redeneren. In de logica kennen we de analogie. Analogie betekent dat je een conclusie trekt op grond van een groot aantal punten van overeenkomst. Als er zo veel punten van overeenkomst zijn tussen mensen en dieren, waarom zou je dan één overeenkomst ontkennen? Dat is geen logica. Dat is geen wetenschap.

Mike Robinson: Maar als u dat argument nu eens zou omdraaien…

Śrīla Prabhupāda: Er valt niets om te draaien. Als je zonder logica redeneert, dan ben je niet rationeel bezig.

Mike Robinson: Ja, goed, maar als we nu eens een andere hypothese aanvaarden. Laten we eens aannemen dat de mens geen ziel heeft…

Śrīla Prabhupāda: Dan moet je kunnen verklaren wat het verschil is tussen een dood en een levend lichaam. Daar heb ik het al over gehad aan het begin van ons gesprek. Zodra de levenskracht, de ziel, uit het lichaam weg is, is zelfs het mooiste lichaam niets meer waard. Niemand geeft er nog wat om — het wordt weggegooid. Maar als ik je nu alleen maar even aan je haar zou trekken, dan zou het op een vechtpartij kunnen uitlopen. Dat is het verschil tussen een levend lichaam en een dood lichaam. In een levend lichaam bevindt zich een ziel en in een dood lichaam bevindt zich geen ziel. Zodra de ziel het lichaam verlaten heeft, is het lichaam waardeloos geworden. Dat is heel makkelijk te begrijpen, maar zelfs de grootste zogenaamde wetenschappers en filosofen zijn te afgestompt om dit te kunnen begrijpen. De hedendaagse samenleving bevindt zich in een afschuwelijke situatie, omdat niemand zijn verstand weet te gebruiken.

Mike Robinson: Doelt u daarmee op de wetenschappers, die maar niet kunnen inzien dat het leven een spirituele dimensie heeft?

Śrīla Prabhupāda: Inderdaad. Echte wetenschap geeft volledige kennis, zowel van het materiële als van het spirituele.

Mike Robinson: Maar in uw wereldse leven was u toch apotheker?

Śrīla Prabhupāda: Ja, eerder in dit leven was ik apotheker, maar daar heb je niet veel intelligentie voor nodig. Iedereen met een normaal verstand kan dat worden.

Mike Robinson: Blijkbaar denkt u dat de moderne wetenschap toch ook belangrijk is, ondanks het feit dat de huidige beoefenaars ervan afgestompt zijn.

Śrīla Prabhupāda: De materiële wetenschap is tot op zekere hoogte belangrijk, maar ze is niet alles.

Mike Robinson: Mag ik een vraag stellen over iets waar we het al eerder over hebben gehad? Toen we zo-even van mening verschilden, zei u: ‘Hier hebben we geen heilige teksten bij nodig; dit is een kwestie van gezond verstand.’ Welke rol spelen de heilige teksten dan wīl in uw religie? Hoe belangrijk zijn ze?

Śrīla Prabhupāda: Onze religie is een wetenschap. Wanneer we zeggen dat een baby een kind wordt, is dat wetenschap. Dat heeft niets met religie te maken. Elke baby wordt een kind. Dat is geen kwestie van religie. Ieder mens sterft. Dat is geen kwestie van religie. En als een mens sterft, wordt het lichaam waardeloos. Dat is geen kwestie van religie — het is wetenschap. Of je nu christen, hindoe of moslim bent, als je sterft wordt je lichaam waardeloos. Dit zijn wetenschappelijke feiten. Als een familielid sterft, kun je niet zeggen: ‘Wij zijn christelijk, wij geloven niet dat hij gestorven is.’ Nee, hij is gestorven. Of je nu christen, hindoe of moslim bent, hij is gestorven. Hierop baseren we ons standpunt: alleen zolang de ziel in het lichaam aanwezig is, is het lichaam belangrijk. Zodra de ziel afwezig is, heeft het lichaam geen nut meer. Dit kan op een wetenschappelijke manier vastgesteld worden en geldt voor iedereen. Deze wetenschap is op iedereen van toepassing; dit is de basis waarop we de mensen willen onderwijzen.

Mike Robinson: Als ik u goed begrijp, is uw onderricht enkel op wetenschap gebaseerd. Welke plaats neemt religie dan in?

Śrīla Prabhupāda: Religie betekent ook wetenschap. De mensen hebben religie altijd ten onrechte voor geloof genomen omdat — ‘Ik geloof.’ (Tot een discipel) Zoek het woord ‘religie’ eens op in het woordenboek.

Discipel: Het woord ‘religie’ wordt hier als volgt gedefinieerd: ‘Erkenning van bovenmenselijke leiding of macht, met name van een persoonlijke God aan wie men gehoorzaamheid verschuldigd is, en het blijk geven van dit inzicht door met de gepaste instelling te handelen.’

Śrīla Prabhupāda: Juist. Religie leert ons hoe we de allerhoogste bestuurder moeten gehoorzamen. Dus dat jij christen bent en ik hindoe doet er niet toe; we moeten beide aanvaarden dat er een allerhoogste bestuurder is. Iedereen moet dat aanvaarden; dat is wat ware religie inhoudt. Niet: ‘Wij geloven dat een dier geen ziel heeft.’ Dat is een hoogst onwetenschappelijke uitspraak en heeft niets met religie te maken. Religie is het op een wetenschappelijke manier begrijpen wie de allerhoogste bestuurder is, en Hem begrijpen en gehoorzamen, dat is alles. In een samenleving is iemand een goed burger als hij weet wat de regering wil en als hij zich aan de wetten van de regering houdt. En een slecht burger is iemand die zich niets van de regering aantrekt. Op dezelfde manier wordt iemand die ontkent dat God alles bestuurt irreligieus genoemd, en iemand die zich aan Gods wetten onderwerpt, wordt als een religieus persoon beschouwd.

Mike Robinson: Kunt u me zeggen wat volgens u de zin van het leven is? Waarom bestaan we eigenlijk?

Śrīla Prabhupāda: Het doel van het leven is genieten. Maar omdat we in illusie leven, lijden we in plaats van dat we genieten. Overal zien we de strijd om het bestaan. Iedereen strijdt, maar wat levert het hun uiteindelijk voor genot op? De mensen lijden en sterven alleen maar. Hoewel het leven eigenlijk vol vreugde is, wordt het op dit moment niet als zodanig ervaren. Maar als je het werkelijke, spirituele bestaansniveau bereikt, dan zul je genieten.

Mike Robinson: Kunt u me ten slotte beschrijven wat de verschillende stadia zijn waar men in het spiritueel leven doorheen gaat? Welke spirituele fasen doorloopt iemand die pas een toegewijde van Kṛṣṇa is geworden?

Śrīla Prabhupāda: De eerste fase wordt gekenmerkt door nieuwsgierigheid. Iemand denkt bijvoorbeeld: ‘Wat is die gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn eigenlijk? Laat ik dat eens nader gaan onderzoeken.’ Dit wordt śraddhā of vertrouwen genoemd. Dat is het begin. Als je serieus bent, ga je vervolgens steeds meer om met mensen die deze kennis bestuderen. Je probeert erachter te komen wat er in hen omgaat. Dan denk je: ‘Waarom zou ik me niet bij hen aansluiten?’ En als je je eenmaal hebt aangesloten, dan verdwijnt algauw alle twijfel. Hoe meer vertrouwen je ontwikkelt, hoe meer je de smaak van het Kṛṣṇa-bewustzijn te pakken krijgt. Waarom gaan deze jongens niet naar de bioscoop? Waarom eten ze geen vlees en gaan ze nooit naar een nachtclub? Omdat hun smaak veranderd is. Ze hebben nu een hekel aan dat soort zaken. Zo ga je vooruit. Eerst vertrouwen, dan omgang met toegewijden, dan het verdwijnen van alle twijfel met als gevolg een sterk vertrouwen, vervolgens ontwikkel je smaak, later godsrealisatie en ten slotte liefde voor God, de vervolmaking. Dat is eersteklas religie. Niet een of ander ritueel, of alleen ‘ik geloof, ik geloof’. Dat is geen religie. Dat is bedrog. Ware religie leert je hoe je liefde voor God kunt ontwikkelen. Dat is de vervolmaking van religie.

Mike Robinson: Dank u zeer voor dit gesprek. Het was een genoegen met u te spreken.

Śrīla Prabhupāda: Hare Kṛṣṇa.

No comments yet.

Geef een reactie