Yoga beoefenen in de moderne tijd

Superbewustzijn

yogaDe doelen van moderne westerse yogaliefhebbers vallen in het niet wanneer we ze vergelijken met de prestaties van de de prestaties van de yogī’s van het oude India, die, volgens historische beschrijvingen, kleiner konden worden dan atomen en lichter dan de lucht en die zonder hulpmiddelen door het hele universum konden reizen. Maar zelfs deze superprestaties zijn volgens Śrīla Prabhupāda ‘slechts een stap vooruit.’ Hoe het werkelijke hoogtepunt van het menselijk bewustzijn, superbewustzijn, hier en nu bereikbaar is, wordt door Śrīla Prabhupāda onthuld in de volgende lezing uit 1967.

Kṛṣṇa-bewustzijn is de hoogste vorm van yoga. Het wordt beoefend door toegewijde yogī’s. Het yogastelsel, zoals het in de Bhagavad-gītā door Heer Kṛṣṇa gegeven wordt en zoals het wordt aangeraden in de yogadiscipline van Patañjali, verschilt van haṭha-yoga, zoals die tegenwoordig in het algemeen in de westerse landen wordt begrepen en beoefend. Werkelijke yogabeoefening betekent dat we onze zintuigen beheersen en, als zulke beheersing bereikt is, richten we onze geest op de Nārāyaṇa-gedaante van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Śrī Kṛṣṇa. Heer Kṛṣṇa is de oorspronkelijke Absolute Persoon, God, en alle Viṣṇu-gedaanten — met vier handen, gesierd met hoornschelp, lotus, knots en discus — zijn volkomen expansies van Kṛṣṇa.

In de Bhagavad-gītā wordt ons aanbevolen op de gedaante van de Heer te mediteren. Om concentratie van de geest te beoefenen moet men op een afgezonderde plaats gaan zitten die door een heilige atmosfeer gezuiverd is, en deyogī moet de regels en bepalingen van brahmacarya volgen — een leven van strikte zelfbeheersing en celibaat. Niemand kan yoga beoefenen in een overbevolkte stad, terwijl hij een losbandig leven leidt, inclusief losbandigheid van de tong en onbeperkte seks.

We hebben al gezegd dat yogabeoefening betekent dat we de zintuigen moeten beheersen, en het begin van het beheersen van de zintuigen is het beheersen van de tong. Je kunt geen vooruitgang maken in het beoefenen van yoga als je de tong toestaat allerlei soorten verboden voedsel en drank te nemen. Het is een zeer betreurenswaardig feit dat vele afgedwaalde, ongeautoriseerde yogī’s nu naar het westen komen om de interesse voor yoga onder de mensen uit te buiten. Zulke ongeautoriseerde yogī’s durven zelfs openlijk te verkondigen dat we ons kunnen inlaten met drank en tegelijkertijd meditatie kunnen beoefenen.

In de dialoog van de Bhagavad-gītā die vijfduizend jaar geleden plaatsvond, raadde Heer Kṛṣṇa zijn discipel Arjuna aan yoga te beoefe-nen, maar Arjuna gaf ronduit toe dat hij met geen mogelijkheid de stren-ge regels en bepalingen van yoga kon volgen. We moeten op elk gebied praktisch zijn. We zouden onze waardevolle tijd niet moeten verspillen door in de naam van yoga alleen wat gymnastiek te doen. Werkelijke yoga is het ontdekken van de vierarmige Superziel in het hart en Hem onafgebroken zien in meditatie. Zulke aanhoudende meditatie wordt samādhi genoemd. Als we daarentegen op iets leegs of onpersoonlijks willen mediteren, zal het lang duren voordat we iets bereiken door yogabeoefening. Werkelijke yogabeoefening is het concentreren van de geest op de vierarmige Nārāyaṇa die Zich in ieders hart bevindt.

Soms wordt gezegd dat we door meditatie kunnen begrijpen dat God Zich altijd in het hart bevindt, zelfs al zijn we ons daarvan niet bewust. God bevindt Zich in ieders hart. Hij bevindt Zich niet alleen in het hart van de mens, maar ook in het hart van katten en honden. De Bhagavad-gītā bevestigt dit met de stelling dat īśvara, de allerhoogste bestuurder van de wereld, Zich in ieders hart bevindt. Hij bevindt Zich niet alleen in het hart van iedereen, maar ook in de atomen. Nergens is er leegte; de Heer is overal aanwezig.
Het aspect van de Heer waarmee Hij overal aanwezig is, wordt Paramātmā genoemd. Ātmā heeft betrekking op de individuele ziel, en Paramātmā heeft betrekking op de individuele Superziel. Zowel Paramātmā als ātmā zijn individuele personen. Maar het verschil tussen beide is dat de ātmā, de ziel, maar op één plaats aanwezig is, terwijl de Paramātmā overal aanwezig is.

Een heel goed voorbeeld hiervan is de zon. Een individu kan zich op één plaats bevinden, maar de zon staat boven het hoofd van ieder individu, hoewel zij toch een afzonderlijk object is. In de Bhagavad-gītā wordt dit heel goed uitgelegd. Ook al hebben de levend wezens, inclusief de Heer, allemaal dezelfde kenmerken, toch verschilt de Superziel van de individuele ziel als het gaat om de mate van expansie. De Heer, de Superziel, kan Zich in miljoenen gedaanten expanderen, maar de individuele ziel niet.
De Superziel, die Zich in het hart van iedereen bevindt, is getuige van ieders activiteiten uit het verleden, nu en in de toekomst. In de upaniṣads staat dat de Superziel Zich bij de individuele ziel bevindt als een vriend en getuige. Als een vriend verlangt Hij er altijd naar om de individuele ziel terug naar huis, terug naar God te brengen. Als een getuige is Hij de schenker van alle zegeningen die voortkomen uit de handelingen van het individu; de Superziel geeft de individuele ziel alle faciliteiten om te bereiken wat hij verlangt. Maar Hij onderricht Zijn vriend ook, zodat die uiteindelijk alle andere bezigheden opgeeft en zich alleen overgeeft aan God voor een eeuwig leven van voortdurende vreugde en vol kennis. Dat is de laatste instructie van de Bhagavad-gītā, het bekendste en meest gezaghebbende boek over alle vormen van yoga.
Het laatste woord van de Bhagavad-gītā is, zoals boven vermeld, het laatste woord over de vervolmaking van het yogastelsel. Verder staat in de Bhagavad-gītā dat iemand die altijd opgaat in Kṛṣṇa-bewustzijn de hoogste yogī is.

Wat is dat Kṛṣṇa-bewustzijn?
Zoals een individuele ziel met zijn bewustzijn overal in het lichaam aanwezig is, zo is de Superziel, Paramātmā, met Zijn superbewustzijn overal in de hele schepping aanwezig. Dit superbewustzijn kan niet geïmiteerd worden door de individuele ziel, die een begrensd bewustzijn heeft. Ik mag dan bewust zijn van wat er in mijn eigen lichaam gebeurt, maar niet voelen wat er gaande is in het lichaam van iemand anders. Ik ben met mijn bewustzijn in mijn eigen lichaam aanwezig en niet in het lichaam van iemand anders. Maar de Superziel, Paramātmā, die Zich overal en in iedereen bevindt, is Zich overal van bewust. De theorie dat de ziel en de Superziel één zijn is onaanvaardbaar, omdat het bewustzijn van de individuele ziel niet kan handelen in superbewustzijn. Dit superbewustzijn kan alleen worden bereikt door het individuele bewustzijn met het superbewustzijn te verbinden; dit verbindingsproces noemt men overgave of Kṛṣṇa-bewustzijn.

Uit de filosofie van de Bhagavad-gītā leren we duidelijk dat Arjuna aanvankelijk niet met zijn familieleden wilde strijden, maar nadat hij de Bhagavad-gītā begrepen had, en hij zijn bewustzijn had verbonden met het superbewustzijn van Kṛṣṇa, was zijn bewustzijn Kṛṣṇa-bewustzijn. Iemand in Kṛṣṇa-bewustzijn handelt naar de instructies van Kṛṣṇa, en daarom stemde Arjuna ermee in te strijden in de slag van Kurukṣetra.
In het begin van zijn Kṛṣṇa-bewustzijn ontvangt men deze instructies van de Heer via een transparante tussenpersoon, de spiritueel le­raar. Wanneer men voldoende geoefend is en onder begeleiding van de betrouwbare spiritueel leraar voor Kṛṣṇa handelt, wordt het verbindingsproces stabieler en zuiverder. In dat stadium geeft Kṛṣṇa van binnenuit instructies. Van buitenaf wordt de toegewijde geholpen door de spiritueel leraar, de betrouwbare vertegenwoordiger van Kṛṣṇa, en van binnenuit wordt de toegewijde geholpen door de Heer, die Zich in ieders hart bevindt als caitya-guru.

Maar begrijpen dat God Zich in het hart van iedereen bevindt is op zichzelf nog geen volmaaktheid. We moeten God van binnen en van buiten kennen en ertoe overgaan te handelen in Kṛṣṇa-bewustzijn. Dat is het hoogste stadium van volmaaktheid voor de menselijke levensvorm en het hoogste stadium van alle yogastelsels.
Voor een volmaakte yogī zijn er acht soorten superprestaties:

  • Hij kan kleiner worden dan een atoom;
  • Hij kan groter worden dan een berg;
  • Hij kan lichter worden dan de lucht;
  • Hij kan zwaarder worden dan elk metaal;
  • Hij kan elk materieel resultaat bereiken dat hij maar wil (zoals bijvoorbeeld een planeet scheppen);
  • Hij kan anderen besturen zoals de Heer dat kan;
  • Hij kan overal vrijelijk naar toe gaan, zowel binnen als buiten het universum;
  • Hij kan zelf het moment en de plaats van sterven bepalen en wedergeboren worden waar hij wil.

Maar als hij tot het volmaakte stadium komt en direct instructies van de Heer ontvangt, is hij boven het bovengenoemde stadium van materiële prestaties verheven.
De ademhalingsoefeningen van het yogastelsel die gewoonlijk beoefend worden, vormen nog maar het begin van het stelsel. Meditatie op de Superziel is maar één stap voorwaarts. Het bereiken van wonderbaarlijk materieel succes is ook slechts één stap voorwaarts. Maar rechtstreeks contact krijgen met de Superziel en Zijn instructies aanvaarden is het hoogste stadium van vervolmaking.

De ademhalingsoefeningen en meditatieve oefeningen van yoga zijn erg moeilijk in dit tijdperk. Zelfs vijfduizend jaar geleden waren ze moeilijk, anders zou Arjuna het voorstel van Kṛṣṇa niet afgewezen hebben. Dit tijdperk van Kali wordt het tijdperk van verval genoemd. Tegenwoordig hebben de mensen in het algemeen een korte levensduur en zijn ze erg traag van begrip als het gaat om zelfrealisatie of spiritueel leven. In het algemeen zijn ze onfortuinlijk, en als iemand al een beetje geïnteresseerd is in zelfrealisatie, wordt hij door talloze bedriegers misleid. De enige manier om het volmaakte stadium van yogabeoefening te bereiken, is het volgen van de principes van de Bhagavad-gītā, zoals die toegepast werden door Heer Caitanya Mahāprabhu. Dat is de eenvoudigste weg en de hoogste vervolmaking van yogabeoefening.

Heer Caitanya bracht de yoga van het Kṛṣṇa-bewustzijn in praktijk door de heilige namen van Kṛṣṇa te chanten, zoals die vermeld staan in de Vedānta, het Śrīmad-Bhāgavatam en vele belangrijke purāṇa’s. De meeste Indiërs volgen deze yogabeoefening ook en in de Verenigde Staten en andere landen neemt het in veel steden geleidelijk aan toe. Het is voor dit tijdperk heel eenvoudig en praktisch, vooral voor hen die werkelijk succes in yoga willen bereiken. Geen andere methode levert succes op in dit tijdperk.
In het Gouden Tijdperk, Satya-yuga, was de methode van meditatie mogelijk, omdat de mensen in die tijd zo’n honderdduizend jaar leefden. Maar als je in het huidige tijdperk succes wilt bereiken in praktische yoga, moet je je toeleggen op het chanten van

Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa,
Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare
Hare Rāma, Hare Rāma,
Rāma Rāma, Hare Hare

en zelf ervaren hoeveel vooruitgang je maakt. Je zult zelf zien hoeveel vooruitgang je maakt in yogabeoefening.
In de Bhagavad-gītā wordt deze beoefening van Kṛṣṇa-bewustzijn beschreven als rāja-vidyā: de koning van alle kennis; rāja-guhyam: de meest vertrouwelijke methode om tot spirituele bewustwording te komen; pavitram: het zuiverste van alles wat zuiver is; su-sukham: vreugdevol toegepast, en avyayam: onuitputtelijk.

Zij die zich hebben toegelegd op dit sublieme stelsel van bhakti-yoga, de beoefening van devotionele dienst in transcendentale liefde voor Kṛṣṇa, kunnen getuigen hoe ze van de vrolijke en eenvoudige uitvoering ervan genieten. Yoga betekent dat we de zintuigen beheersen, en bhakti-yoga betekent dat we de zintuigen zuiveren. Als de zintuigen gezuiverd zijn, zijn ze automatisch beheerst. Je kunt de activiteiten van de zintuigen niet op een kunstmatige manier stoppen. Maar als je de zintuigen zuivert, worden ze er niet alleen van weerhouden zich met onzin in te laten, maar worden ze ook op een positieve manier gebruikt in transcendentale dienst aan de Heer.

Kṛṣṇa-bewustzijn is niet ons verzinsel. Het wordt voorgeschreven in de Bhagavad-gītā, waarin staat dat als we in Kṛṣṇa-bewustzijn denken, chanten, leven, eten, praten, hopen en Kṛṣṇa aanvaarden, we ongetwijfeld naar Hem zullen terugkeren — dat is de essentie van het Kṛṣṇa-bewustzijn.

No comments yet.

Geef een reactie